Bevoegd en onbevoegd, verhalen uit de praktijk

Stel, je bent PABO student, studie aan het afronden, LIO is klaar je diploma bijna in de pocket! Helaas kun je op je LIO school niet blijven, niet omdat je niet goed functioneerde maar er is binnen het bestuur nu eenmaal een vacature stop en op een andere school moeten collega’s weg. Die worden dan tegen wil en dank (niet altijd!) geplaatst op jouw stage-school. Helaas vis je niet alleen in de vijver van je regio en je besluit om je zoekgebied iets te vergroten richting het speciaal onderwijs en het VMBO. Na een positief gesprek mag je gaan beginnen als docent rekenen op een VMBO-school met LWOO. Je merkt in je werk dat deze leerlingen eigenlijk niet veel verschillen van de leerlingen die je gewend was van de basisschool en na een goed eerste jaar mag je nog een jaartje blijven. De vraag is wel of je een 2e graads diploma wil gaan halen, vol enthousiasme besluit je te starten met een deeltijd opleiding wiskunde. Helaas zie je weinig overeenkomsten tussen dat wat je in het college krijgt en je dagelijkse praktijk. Na maanden zwoegen besluit je om te stoppen met de opleiding, die keuze is moeilijk want je weet dat dit het einde van je contract (aan het einde van het schooljaar) tot gevolg heeft. Als docent rekenen en wiskunde voldoe je prima voor de leerlingen waarmee je werkt, soms nog wel beter dan je collega’s die rechtstreeks van een lerarenopleiding afkomen, maar helaas je contract loopt ten einde.
De school neemt afscheid van een top-docent een super fijne collega en moet maar afwachten wat voor collega er voor in de plaats komt….en dat allemaal vanwege het bevoegd/onbevoegd verhaal.
Staartje van het verhaal, potentiële nieuwe collega kan helaas niet komen werken bij ons op school omdat hij naast zijn baan (0,8) de deeltijd opleiding wiskunde wil gaan doen, dit wordt afgeraden door de opleiding omdat hij zo te weinig tijd voor studie overhoudt. Minder werken kan hij niet omdat hij wel zorg moet dragen voor zijn gezin.

11 gedachten over “Bevoegd en onbevoegd, verhalen uit de praktijk”

  1. Het rijbewijs is er niet om mensen dwars te zitten die om een of andere reden van zichzelf al een auto op de weg kunnen houden.

    Het rijbewijs dient om er voor te zorgen dat a) de algemene verkeersveiligheid aanmerkelijk groter is dan zonder dat vereiste het geval zou zijn en b) dat voor elke automobilist een zekere garantie bestaat dat hij opgewassen is tegen de meeste taken waarvoor automobilisten komen te staan. Of dat nu snelwegrijden is, inparkeren, de hellingproef, of toepassen van kennis van verkeersregels.

    Misschien bestaan er mensen die al die dingen van nature kunnen, of die het op een parkeerplaatsje om de hoek hebben geleerd, of die het feitelijk beter kunnen dan sommige zondagsrijders mét rijbewijs. Dat is allemaal geen reden om het rijbewijs op te doeken. Dat laatste zou de verkeersveiligheid bedreigen en ruim baan bieden aan mensen die ménen dat ze voldoende rijbekwaam zijn maar het in feite niet zijn.

    Dat de ‘garantie’ van het rijbewijs niet waterdicht is: d.w.z. dat er altijd zondagsrijders zullen zijn, doet aan het belang van rijbewijzen weinig af. Veel te weinig om op grond daarvan het rijbewijs op te doeken.

    Analoog: waarom moeten leraren een bevoegdheid halen? Om bij te dragen aan a) de algemene onderwijskwaliteit (d.w.z. aan de norm die wij in Nederland aan leraren stellen t.a.v. vakkennis, beroepskennis, pedagogische en didactische bekwaamheid) en b) om ouders, leerlingen en de werkgever een zekere garantie te bieden t.a.v. de kwaliteiten waarop ze bij deze leraar mogen rekenen. Zodat er een formele basis van vertrouwen is dat deze persoon voor de taken kan worden ingezet die met zijn functie (‘leraar VO’) samenhangen. Of dat nu remediële hulp is aan brugklassers LWOO bij wiskunde, of lesgeven in derdegraadsfuncties in 3-vwo. Of dat nu om klassikale instructie gaat of het ontwerp en evaluatie van een valide toets. Of het nu om het nakijken van huiswerk gaat of het verwerken van formele leerlijnen tot concrete curricula.

    Net zomin als iemand van het rijbewijs mag wegblijven met het feitelijke argument ‘ik kan een auto op de weg houden’, zomin kan een intreder in het onderwijs de bevoegdheid kwijtgescholden worden met het feitelijke argument ‘ik kan een klas lesgeven’. Niet alleen ondermijnt dat het algemeen belang van kwalificering (a) maar ook schiet de observatie tekort om als garantie te dienen voor alle taken waarvoor je als leraar komt te staan.

    Ten slotte twee minder formele argument, die er toch toe doen. Het wagenwijd openzetten van de achterdeur naar het leraarschap (er staan in Nederland intussen meer dan 20.000 mensen on- en onderbevoegd voor de klas, helemaal stiekem) heeft een daling van de status van het beroep tot gevolg. De gedachte vat post dat lesgeven iets is wat iedereen met een beetje verstand wel kan. Nederlands kan iedereen. Wiskunde kan iedereen die verstand heeft van getallen. Een beroep dat in Nederland toch al – onverdiend – lager in aanzien staat dan elders in de EU, kan een dergelijke ondermijning niet gebruiken. De status van het leraarschap verdient een ‘boost’ – al is het maar om meer en betere instromers aan te trekken – en geen deuk.

    Een bijkomend informeel, maar zeer reëel gevolg is dat de massale inzet van onbevoegden de onderhandelingspositie ondermijnt van de beroepsgroep als het gaat om arbeidsvoorwaarden. Het is opmerkelijk dat een sector waarin zo’n enorm tekort bestaat aan gekwalificeerde mensen, de ernstigste verslechtering van de arbeidsvoorwaarden kent (vijf jaar nullijn, afnemen BAPO, streep door functiemix, afnemen vakantiedagen) en zeer moeizame CAO-onderhandelingen. Zolang werkgevers moeiteloos en onzichtbaar wegkomen met het massaal inzetten van onbevoegden, wordt niet alleen de intrinsieke maar ook de economische waarde van duurverdiende kwalificaties ondermijnd. En dat is nóg een oorzaak van het aanhoudende lerarentekort.

    Kortom, vasthouden aan rijbewijs resp. de lesbevoegdheid dient de verkeersveiligheid resp. de onderwijskwaliteit. Deze kwalificaties zijn een zekere garantie op de basiskennis en vaardigheden die van elke automobilist resp. leraar gevraagd kunnen worden, ter voorbereiding op de taken waarvoor zij zich in de praktijk gesteld kunnen zien. Dat is in het belang van andere betrokkenen (verkeersdeelnemers resp. scholen, leerlingen en ouders), van de beroepsgroep (status, onderhandelingspositie) en daarmee ook van de kandidaat zelf.

  2. ‘Na een positief gesprek mag je gaan beginnen als docent rekenen op een VMBO-school met LWOO. Je merkt in je werk dat deze leerlingen eigenlijk niet veel verschillen van de leerlingen die je gewend was van de basisschool en na een goed eerste jaar mag je nog een jaartje blijven.’

    Je beschrijft een herkenbare situatie. Een directeur van een VMBO school met behoorlijk wat LWOO leerlingen vertrouwde me zelfs een keer toe dat hij ‘liever leerkrachten met een basisschoolachtergrond heeft’ omdat die ‘van nature’ makkelijker omgaan met verschillen tussen leerlingen.

    Ik begrijp jouw en zijn standpunt, maar maak er toch bezwaar tegen. Ik ben namelijk van mening dat er in die zienswijze teveel van uitgegaan wordt dat (met name in het geval van LWOO leerlingen) ‘het pedagogische’ moet prevaleren boven ‘het didactische’. Een opvatting die zijn oorsprong vindt in de jaren zeventig en tachtig en er vanuit gaat dat leerlingen die lekker in hun vel zitten het ook beter op school doen.

    Ik geloof daar eerlijk gezien niet (meer) zo in. Ik vermoed zelfs dat leerlingen zich beter gaan voelen als hun prestaties omhoog gaan en denk dat dat alleen kan als er uitermate kundige leraren voor hun neus staan. Kundig in de zin van pedagogisch en didactisch meesterschap. Waarbij het een niet zonder het ander kan.

    Verplichte (bij)scholing zou dan ook niet langer als een soort onderhandelbare zachte eis op de plank moeten liggen maar door directies moeten worden uitgevent als HET middel om kennis en kunde van leerkrachten verder op peil te brengen.

    Het maakt leerkrachten zekerder van hun (pedagogische en didactische kwaliteiten) en biedt meer garanties voor kwalitatief beter onderwijs.

  3. Bedankt voor jullie uitgebreidde reacties. Laat ik voorop stellen dat ik het ook belangrijk vind dat docenten bevoegd voor de klas staan. Ik denk dat het verhaal achter die 20 000 collega’s die onbevoegd of onderbevoegd voor de klas staan ook belangrijk is om te zien. Als je de PABO hebt gedaan kun je gewoon lesgeven en soms nog wel beter dan wanneer je de lerarenopleiding hebt gedaan. Je hebt namelijk veel meer zicht op het kind dan op de lesstof, je kunt een kind dus veel beter maatwerk aanbieden waardoor uiteindelijk de leerprestaties verhogen. Wanneer je ook nog in een gecombineerde sectie zit met bevoegde docenten dan kun je van elkaar leren. Overigens leert de praktijk mij dat deze collega’s veelal nog steeds boven de lesstof staan gezien het feit dat veel leerlingen met een leerachterstand binnen komen. Een doorlopende leerlijn vanuit het basisonderwijs is voor deze leerlingen dan erg geschikt.

  4. @Rhea: Met zoveel kwaliteiten in huis zal het deze kandidaat-VO-vakleraren weinig moeite kosten om de aanvullende bevoegdheid te halen.

    Ik ben met je eens dat ‘het verhaal achter die 20.000 onbevoegde collega’s ook belangrijk is’ om te horen. Twee van mijn beste collega’s zijn onbevoegd begonnen: als doorstromer vanuit het basisonderwijs en als zij-instromer in het beroep. Het is heel goed dat zij ons team zijn komen versterken. Intussen hebben zij hun bevoegdheid gehaald, wat hun behalve meer vak- en didactische kennis ook een sterkere rechtspositie opleverde.

    Mijn pleidooi dat elke instromer een bevoegdheid moet halen, acht ik ook in het belang van de onbevoegden zelf. Dit met het oog op formele erkenning van de kwaliteiten die zij al met zich meebrengen (en die je noemt) en op de kwaliteit, status en rechtspositie van de beroepsgroep waartoe zij willen behoren. Kortom: zij hebben er zelf ook baat bij dat de bevoegdheidseisen worden gehandhaafd.

    Handhaving van die eis zal werkgevers er toe bewegen aan onbevoegde docenten tijd en middelen ter beschikking te stellen om hun bevoegdheid te behalen. Zolang dat zogenaamd niet nodig is, zal een deel van de werkgevers daar niet om malen, en mogen de onbevoegden het zelf uitzoeken, zelf betalen, zelf organiseren – of het er bij laten zitten. Dat lijkt me geen juiste manier om de instroom in het beroep te bevorderen, en oogjes dichtknijpen niet de juiste manier om het leraarschap te waarderen en te beschermen.

    Openheid en erkenning zijn de basis voor vertrouwen in beroepsbeoefenaars. Er is in Nederland een hoop te winnen als het gaat om vertrouwen in het leraarschap. Daarbij telt elke stap in de goede richting.

  5. Probleem is in dit geval niet de bevoegdheid maar de onwil van schoolbesturen om ‘in de baas zijn tijd’ een dergelijke bijscholing te volgen. Daar moet wat aan gedaan worden. Dan kan deze topper (met behoud van zijn salaris) zich verder bekwamen. Daarnaast ben ik van mening dat ‘bevoegd’ niet altijd hetzelfde is als ‘bekwaam’. Om bij de vergelijking van HM te blijven: ik zie een hoop idioten op de weg waarvan ik niet begrijp dat ze ooit het rijbewijs hebben kunnen halen!

  6. Je hebt heel wat meer kwaliteiten nodig om een deeltijdopleiding naast een baan te kunnen afronden, met positief resultaat. Dat je je sociale leven op een laag pitje moet zetten is begrijpelijk maar er zijn meer dingen die je moet laten wil je een opleiding goed kunnen afronden. Als de opleiding dan ook nog eens totaal niet aansluit bij de dagelijkse praktijk dan kost het erg veel kruim. Ik denk dat een vmbo-docent andere kwaliteiten nodig heeft dan wat op opleidingen wordt aangeboden.

  7. Daar is bij ons bestuur gelukkig geen sprake van. Sommige mensen lijken hun rijbewijs bij een pakje waspoeder kado te hebben gekregen, zo ernstig zie ik het gelukkig niet bij ons op school. Toch blijft het belangrijk om ook als bevoegd docent aan je bekwaamheid te werken en dat hoor ik soms nog te weinig in de discussie.

  8. Rhea, jij hebt na je pabo-diploma de tweedegraads hbo-opleiding tot leraar aardrijkskunde gedaan. Wat was er mis met die opleiding dat die ‘totaal niet aansloot bij de dagelijkse praktijk’ en welke van je benodigde vmbo-kwaliteiten heb je daar niet kunnen ontwikkelen?

    Ik geloof direct dat er aan een aantal opleidingen zaken verbeterd kunnen worden. Dat zal ook verschillen van opleiding tot opleiding, en de kritische stem van één kan niet voor iedereen spreken. Maar in wezen is het toch een ander discussieonderwerp: of een rijbewijs nodig is dan wel of de rijopleidingen wel allemaal o.k. zijn.

  9. De leerstof kwam niet overeen met de leerstof die ik in de dagelijkse praktijk aanbood. Opleiding bood met name examenonderwerpen (vind ik super interessant en ik zie mijn opleiding absoluut als meerwaarde) die stof is dan minder betekenisvol en het kost meer moeite om de stof onder de knie te krijgen, is mijn ervaring.
    Op de pabo heb ik veel meer pedagogische handvatten gekregen op het gebied van klassenmanagement en differentiatie. Ook heb ik op de pabo (of mss wel door de pabo) meer zicht gekregen op de doorlopende leerlijn, en aansluiting op andere vakken.
    Naast mij tweedegraads hbo opleiding heb ik ook een master SEN gevolgd, deze opleiding sloot veel beter aan bij mijn dagelijkse lespraktijk, was dus betekenisvoller, ik deed geen dubbel werk want de stof van de opleiding had meteen invloed op de werkzaamheden die ik had (in tegenstelling tot de tweedegraads opleiding).
    Ik zie natuurlijk ook wel in dat ik niet de wijsheid in pacht heb, maar ik heb wel ervaringen opgedaan waar ik over kan berichten. Ik denk dat mijn ervaringen niet alleen mijn ervaringen zijn, er zijn er vast nog meer die dit zo ervaren hebben, en dat een deel van mijn ervaringen dus aanleiding is voor mensen om niet de juiste bevoegdheid te hebben voor de klas.

  10. Ik heb zelf slechte ervaringen met de postdoctorale lerarenopleiding: het stagedeel was bijzonder leerzaam, het instituutsdeel dramatisch. Ik kan me voorstellen dat mensen er daardoor voortijdig de brui aan geven en heb dat ook recentelijk nog 3x in mijn kennissenkring zien gebeuren.
    Toch hecht ik sterk aan de bevoegdheidseis. Omdat ik ook heb gezien wat voor dramatische gevolgen het voor het onderwijs heeft als je die eis niet stelt. Mijn vak wordt in klas 2 en 3 vaker door een niet-bevoegde gegeven dan door een bevoegde. Die niet-bevoegden kunnen briljante docenten zijn (mijn oud-collega was er zo een), maar ook mensen die te weinig vakinhoudelijke kennis hebben om goed te doceren en over te brengen wat een razend interessant vakgebied het is. En dat wreekt zich de laatste jaren bij mijn vak. Teveel mensen zonder rijbewijs op de weg, dan heb je het niet alleen meer over mensen die ook zonder papiertje hartstikke goed kunnen rijden. Dan heb je het ook over mensen wier vaardigheden ietwat, of heel veel, te wensen overlaten. Dat is rampzalig voor het vak. Bij het mijne zijn ze nu al een paar jaar bezig uit te zoeken hoe het toch kan dat zoveel leerlingen onvoldoendes halen op het examen. En wordt er gepleit voor aanpassing van het programma, want het huidige “trekt een te zware wissel op het puberbrein”. Ik geloof daar niets van, in mijn ervaring zijn leerlingen van nu niet minder slim of minder gemotiveerd dan wij destijds waren. Ze krijgen alleen in de cruciale jaren, waarin de basis voor het vak wordt gelegd, voor meer dan de helft les van onbevoegden. Daar kunnen die leerlingen niets aan doen, en wij zouden die leerlingen daartegen moeten beschermen. Daarom, in het belang van de leerlingen en de onderwijskwaliteit, wil ik absoluut dat leraren aan de minimum opleidingseisen hebben voldaan. Dat de school hen in tijd en geld zou moeten faciliteren om aan die eisen te kunnen voldoen, spreekt voor zich. Maar dat die facilitering vaak te wensen overlaat is geen reden om dan de minimum eisen maar te laten vallen.

  11. Rhea, een goede lerarenopleiding bereidt leraren-in-spe voor op lesgeven op alle niveaus, met bijzondere aandacht voor lesgeven op het hoogste niveau waar de lesstof het moeilijkst is, de leerlingen het meest capabel zijn, en de belangen het grootst.

    In dat opzicht kan ik billijken dat de opleiding een nadruk legde op de leerstof en didactiek op examenniveau. Dat je weinig meerwaarde ervoer t.a.v. de leerstof/didactiek op het niveau van (remedial teaching in ) VMBO-1 is wel te begrijpen vanuit je voorsprong: je was geen bleue eerstejaars student maar een ervaren en gekwalificeerde ex-Pabostudent. De kinderen die jij in groep 8 hebt leren lesgeven overstijgen dat kennisniveau gemakkelijk. Vermoedelijk wist of kon jij vanuit jouw bijzondere uitgangspunt al dingen die jouw medestudenten (17, vers van het havo) nog niet wisten of konden

    Dat jij op de Pabo meer hebt geleerd t.a.v. klassenmanagement (lees: orde houden) en differentiatie is niet verwonderlijk. Je hbo-collega-studenten delen die Pabo-ervaring niet, en moeten daarover in hun hbo-opleiding leren. Over orde houden leert iederéén het meest zodra hij/zij daar voor het eerst reëel mee te maken krijgt. Bij jou was dat op de Pabo, bij je medestudenten in het hbo.

    Wie remedieel lesgeeft (aan individuen of zeer kleine groepjes leerlingen) heeft uiteraard meer aan een opleiding die daarop is toegesneden. Zo begrijp ik ook je woorden over SEN-masteropleiding. Maar kun je dat je tweedegraads opleiding, gericht op klassikaal lesgeven, euvel duiden?

    Het venijn zit wat mij betreft in de staart van je stuk: je gebruikt je (gedeeltelijke) ontevredenheid over jouw tweedegraads opleiding (een ontevredenheid die ik dus duid vanuit je ongewone uitgangspositie) als excuus voor mensen om onbevoegd voor de klas te staan. Dat niet door mijn beugel.

    Dat er rijscholen zijn die niet voldoen, of dat je twijfelt aan het nut van de hellingproef, is geen enkele reden om je zonder rijbewijs op de weg te begeven. Dat lerarenopleidingen te wensen overlaten, mag niet als excuus gelden om dan maar onbevoegd voor de klas te staan.

Reacties zijn gesloten.