de autonomie van de leraar

Mijmerend over het bovenstaande vroeg ik me af waarom alle innovaties en pogingen om de leraar uit het klaslokaal te krijgen toch altijd stranden.

De leraar kan toch autonoom handelen? Als je de zelfbeschikkingstheorie of zelfdeterminatietheorie (ZDT) van Deci en Ryan (2002) over de menselijke motivatie beschouwd zou dat positief moeten zijn.

De kern van deze theorie wordt gevormd door de stelling dat er drie natuurlijke basisbehoeften zijn die, indien deze bevredigd worden, een optimale functionering en groei van een persoon toestaan. Ook de intrinsieke motivatie van een persoon om doelen te bereiken hangt mede van de bevrediging van deze behoeften af. Een belangrijke stelling van de theorie is dat vormen van controle op het gedrag van anderen zorgt voor een afname van hun intrinsieke motivatie, omdat deze controle de bevrediging van de basisbehoeften frustreert. En daar zit hem nou net de kneep.

De enige plek waar de leraar zich autonoom kan voelen is in het klaslokaal, daar heeft hij/zij invloed op zijn manier van lesgeven, van omgaan met de kinderen/studenten en kijkt hem niemand op de vingers.
Buiten het klaslokaal heeft hi/zijj nl. totaal geen invloed. Niemand vraagt hem of haar hoe het rooster er uit moet zien (dat wordt voor hem/haar geregeld), welke onderdelen waar in het curriculum zitten, hoe de school ingericht wordt, welke methode gebruikt wordt, hoe het hele onderwijs in Nederland geregeld zou moeten zijn enz. enz.

Natuurlijk is dit wat overtrokken, er zijn genoeg mogelijkheden tot inspraak maar dat is nooit op hoofdlijnen. De leraar (en ook de leerling en de student, maar dat is een ander verhaal) heeft vaak het gevoel dat er langs hem of haar heen en over hem/haar heen beslist wordt.
Men heeft niet het gevoel dat er gebruik gemaakt wordt van zijn/haar competenties en daardoor is de verbondenheid met het werk niet groot. Vaak moet uitgevoerd worden wat anderen bedenken of bedacht hebben.

Dus…. willen we de leraar uit de klas krijgen en samenwerking tussen de diverse disciplines en docenten bevorderen dan moeten we hem/hen ook de autonomie geven om zelf met innovaties te komen, zelf lessen te ontwerpen en zelfs de lead geven om onderwijs te ontwerpen en te veranderen. Laat hem zelf tonen dat hij competent is in zijn vak en zich verbonden voelt met zijn vak, de school en het onderwijs. Dan krijg je intrinsiek gemotiveerde mensen die frank en vrij om zich heen kijken en voeling hebben met alles wat er gebeurt. Zij zijn dan ook in staat om gewenste veranderingen te signaleren en door te voeren.

Hou op met die sturing van bovenaf, van directies, besturen en overheid.
Haal die leraar uit de klas en luister eens naar wat hij/zij te vertellen heeft. Dat kon nog wel eens heel verrassend zijn en leiden tot allerlei nieuwe, echt doordachte vormen van onderwijs.

Het vormen van communities kan hierbij zeer behulpzaam want samen sta je sterker dan alleen.

de up to date leraar

Leraar zijn is tegenwoordig haast synoniem voor “manusje van alles”. Je moet in de eerste plaats les geven maar je moet ook administrateur zijn, pedagoog, ict-deskundige, psycholoog en noem nog maar wat taken en rollen er bij.
Daarbij komt ook nog dat door allerlei bezuinigingen de personen die diverse rollen binnen een school vervulden zijn wegbezuinigd waardoor die taken ook nog bovenop de al overvolle dagtaak van de leraar komen.

Wat drijft nu mensen die leraar willen worden. Wie vinden we een goede leraar, wat maakt een goede leraar? Iedereen heeft wel uit zijn eigen onderwijservaring een voorbeeld van een leraar die je is bijgebleven.
Mijns inziens typeert een goede leraar de liefde voor zijn vak (Engels, Wiskunde e.d.) maar daarnaast de liefde voor kinderen of jeugdigen. Een leraar heeft niet alleen zijn vak geleerd maar ook kennis van didactiek en pedagogiek. De goede leraar heeft passie voor onderwijs en dat is de combinatie van zijn vak met de didactiek (hoe geef je het vak door) en pedagogiek (hoe leren de kinderen, hoe zit de klas in elkaar e.d.)

Ik mocht dit jaar aanwezig zijn bij de uitverkiezing van de leraar van het jaar. Wat mij betreft is dit jaar gekozen voor de traditionele leraren, niks mis mee, zij straalden alledrie de passie en liefde voor hun vak uit. Wat ik wel een beetje miste is de aansluiting met de leefwereld van onze jongeren, vernieuwende leraren die gebruik maken van alle (ict) hulpmiddelen die er zijn stonden een beetje buitenspel. Hopelijk volgend jaar een mix hiervan. Maar inderdaad de aandacht voor het kind/de jongere is het belangrijkst!!!

In Nederland is er heel veel aandacht voor leraren maar het blijkt ook dat die aandacht versnipperd is en ook vaak verstikkend werkt naar het lerarencorps zelf. Van alle kanten voelen zij zich belaagd, elke dag is er wel ergens een onderwijscongres waar weer allerlei vernieuwende concepten worden aangeboden, het gaat over passend onderwijs, compententiegericht onderwijs, projecten, processen etc. etc. Je ziet door de bomen in onderwijsland het bos niet meer.
Begrijpelijk is dat sommige leraren dan achterover gaan leunen en denken: “het zal mijn tijd wel duren”. Dat dit niet een juiste houding is weten ze zelf ook wel maar ze weten niet hoe ze al die concepten in hun overvolle agenda moeten inplannen.

Het zou zeer mooi zijn als docenten zich zouden organiseren in communities die gegroepeerd zijn rondom een bepaald thema, school en/of vakoverstijgend zodat ze van elkaar leren en niet al die conferenties af moeten lopen, hierdoor leren zij collectief en dat komt niet alleen henzelf maar ook hun collega’s ten goede en daardoor versterken zij uiteindelijk het onderwijs. Men hoeft het wiel niet zelf uit te vinden want overal in het land is kennis te vinden die gedeeld kan worden.

Echter wat wel belangrijk is, en dat is vaak een struikelpunt, maak gebruik van de volle 40 weken onderwijstijd per jaar. Nu is het vaak zo dat als je twee weken voor de herfstvakantie, kerstvakantie of grote vakantie probeert een afspraak te plannen dat dat verschoven wordt tot na de vakantie. Hierdoor duren die afspraakvrije periodes niet maar de tijd van de vakantie maar worden ook nog eens verlengd met één week ervoor en één week erna waardoor effectief nog maar ongeveer 25 weken onderwijstijd overblijft. Dat is geen goede zaak om innovatie (oei!) in een school te krijgen.
Onderwijs is gebaat bij rust en regelmaat en dat krijg je mijns inziens door de werkzaamheden goed te spreiden over het jaar. Daarom moet er echt eens goed nagedacht worden over al die vakanties maar eigenlijk vooral over de spreiding van het werk over het jaar.

Dat doen we al…

Als je zoals ik in het onderwijs werkt, hetzij als adviseur hetzij als meewerkend voorwerp dan is een van de opmerkingen die je het meeste hoort: “dat doen we al”.
Vaak werkt dat frustrerend voor het proces want als je “het” toch al doet dan hoef je niet meer mee te doen, kun je lekker achterover leunen, is de deur dicht.

Natuurlijk is het ook begrijpelijk dat deze opmerking zo vaak gebezigd wordt, want zoals ik al vaker schreef in mijn blogs is er geen enkel systeem waar zo veel wordt veranderd, geïnnoveerd en van bovenaf opgelegd als binnen het onderwijssysteem.

Maar als je dan doorvraagt “wat doen jullie dan al?” dan blijkt dat er kleine veranderingen hebben plaatsgevonden, dat men wel eens met een leraar van een andere school spreekt of dat men op directieniveau convenanten getekend heeft. Van echte samenwerking, samen delen of zelfs collectief leren is er dan nog geen sprake.
Echte innovatie moet van binnen uit het systeem komen, er moet een noodzaak zijn, nee zelfs gevoeld worden, door de mensen die in het primaire proces bezig zijn. Zij moeten aan de bel trekken en aangeven dat er een gedeeld probleem is, dat opgelost moet worden en dat men anders niet verder kan.

Dit is ook het kenmerk van communitiies (of practice). waarin mensen samen werken en leren.

Een Communtie of Practice (CoP) is een groep mensen die een intrigerende vraag, zorg, probleem of passie met betrekking tot een bepaald domein of product delen en die hun kennis en vaardigheden willen verdiepen door middel van een continue uitwisseling hierover[1].

Door dat samen werken en leren, zelfs over de eigen school of beroepsgroep heen krijgen mensen een bredere kijk op hun werk en omgeving en ontstaan er weer nieuwe samenwerkingsverbanden en ideeën. Door deze vorm van (netwerk) leren gaan leraren zien dat ze vaak wel denken dat ze iets al doen maar dat dit vaak heel fragmentarisch is en dat men het grotere geheel niet overziet of overzien heeft. Door de contacten met anderen wordt het beeld vollediger en wordt er veel meer geleerd. Men kijkt letterlijk naar buiten en is “open-minded”.

Ik pleit er dan ook voor om leraren niet alleen docentstages buiten het onderwijs te laten doen (ook dat is heel belangrijk) maar ook binnen het onderwijs, bij andere scholen, schooltypen en zelfs andere onderwijstypen. Kijk eens over die muur. Laat een leraar van het Gymnasium eens een week meelopen of liever nog les geven op een VMBO. Zo krijgt men begrip en respect voor elkaars werkzaamheden en dan is het misschien zo dat “bekend maakt ook bemind” ontstaat.

Utopia? Ik hoop het niet….

[1] (Wenger, McDermott & Snyder, 2002: Cultivating Communities of Practice. Harvard Business Press)