Mijn eduvonk

Hoewel hij antwoord wilde op een andere vraag dit jaar, zette deze tweet van Henk ter Haar ( Henk ter Haar eduvonk ) me aan het denken. Deze maand zit ik 25 jaar in het onderwijs, ook al reden eens terug te kijken. Wie inspireerde mij om het onderwijs in te gaan?

Gek genoeg kan ik me geen docent herinneren, die mij op het spoor van onderwijs heeft gebracht. Dat spoor was er eigenlijk al zo lang ik me kan herinneren. Wel kan ik me de uitspraak van een docent herinneren, die heel bepalend is geweest voor hoe ik tegen onderwijs aankijk. Maar dat gebeurde pas toen ik allang mijn keuze voor het onderwijs gemaakt had: mijn docent Nederlands op de Pedagogische Academie. In de eerste les die hij gaf, stelde hij zich als volgt voor: “Ik ben Jos en Jos indoctrineert”. Daar schrok ik destijds een beetje van: indoctrineren dat klinkt niet zo positief…of toch? Maar ik ben me er door deze uitspraak altijd van bewust geweest dat ik als docent ontzettend veel invloed heb op jonge kinderen. Een groot goed, waarop ik zuinig ben geworden, wat ik niet verkeerd mocht inzetten, maar ook niet te weinig. Dat, waar je als docent het verschil mee maakt: je hebt invloed op het denken en doen van jonge kinderen en als je dat goed en vol overtuiging doet, help je kinderen op weg naar hun toekomst. “Mijn eduvonk” verder lezen

Zenuwslopende examens

De examens zijn weer bezig en dat kan niemand ontgaan zijn. In kranten en op internet gaat het weer over het nut van de examens, de N-term, spelling en grammatica wel of niet meetellen bij Nederlands, de rekentoets en het LAKS krijgt weer meer klachten dan vorig jaar. En dat laatste daar wil ik ook wat aan toevoegen. Omdat het LAKS af en toe wat klachten naar buiten brengt, maar inzicht in de klachten verder moeilijk is, kan ik niet zo goed zien of “mijn” klacht erbij staat, dus probeer ik het op deze manier onder de aandacht te brengen. “Zenuwslopende examens” verder lezen

“Ik ga wel bij het circus, want ik ben toch dom”

Via Twitter vroeg @bososs me om mee na te denken over welke ontwikkelingen de basisscholen van SKBO in het vizier zou moeten hebben/houden te komende jaren. Een moeilijke vraag, niet in de laatste plaats omdat ik de betreffende scholen niet ken, nog nooit in Oss geweest ben (foei?) en dus af moet gaan op wat ik in mijn eigen onderwijsomgeving zie.
Tja, en wat zie ik daar dan? De lat moet steeds hoger, weg met de zesjescultuur, excellent is geen scheldwoord meer, aandacht voor 21st century skills, scholen worden afgerekend op meetbare resultaten vooral op de kernvakken rekenen en taal maar moeten ondertussen ook passend onderwijs inrichten.

Het is januari. In menige groep 8 een spannende tijd, want het schooladvies komt eraan, dit jaar belangrijker dan ooit vanwege de andere status van de cito-eindtoets. Binnenkort staat weer in de krant dat er wachtlijsten zijn voor de gymnasia, loten we op de “betere” scholen, maar zijn er ook weer ouders die “niet accepteren dat hun kind naar het vmbo moet”. Want zo is het in Nederland: je kind mag of kan naar het gymnasium, maar moet naar het vmbo.

Op mijn eigen school (een mavo, met mavo/havo-onderbouw) zie ik dat veel kinderen faalangst ontwikkelen door de druk die vooral door ouders wordt opgelegd: het doel is de havo, of dat nou haalbaar is of niet.

De titel boven dit blog, is een uitspraak van mijn eigen nichtje. Ze zat toen in groep 4 of 5 en door een (destijds nog niet ontdekte) flinke vorm van dyslexie kon ze niet aanhaken bij rekenen en taal, en dat terwijl ze zo ontzettend veel andere kwaliteiten heeft: ze is creatief, heeft een bovengemiddelde intelligentie en is heel erg sociaal. Bovendien kan ze goed samenwerken, heeft ze humor en kan ze kritisch denken. Inmiddels zit ze in de eerste klas van het vmbo (kader) en het gaat goed: hoewel wiskunde en taal moeilijk voor haar blijven, kan ze ook eindelijk haar andere kwaliteiten de ruimte geven. Ze zit in de talentklas en maakt daar schitterende schilderijen. Ze heeft veel plezier in de praktijklessen, haalt goede cijfers, mag mogelijk opstromen naar de TL en zit goed in haar vel.

En zo kom ik bij mijn goede raad voor de scholen van SKBO (en alle andere scholen): blijf ondanks de druk die ons allemaal wordt opgelegd om beter te presteren, oog houden voor alle talenten van kinderen en laten we er samen voor zorgen dat (ouders en) kinderen niet meer zeggen “ik moet naar het vmbo” of “ik mag naar het gymnasium”, maar “ik mag naar de school waar ik mijn talenten zo goed mogelijk kan ontwikkelen!”

Een nieuwe baan (met een kleine traan)

Vorige week nog haalde ik de woorden aan die Abbey Hoes sprak in DWDD naar aanleiding van het winnen van een Gouden Kalf:” ik voel me al drie weken jarig”.

Inmiddels bijna vier weken geleden hoorde ik dat de benoemings(advies)commissie mij had gekozen als nieuwe afdelingsmanager (adjunct-directeur) van onze school en ik was daar ontzettend blij mee, vandaar dat gevoel.

De afgelopen 3 jaar ben ik heel bewust bezig geweest met het zoeken naar een manier om  in mijn werk weer te leren en mezelf te blijven ontwikkelen. Binnen mijn huidige functie was ik beetje uitgeleerd, dus tijd voor iets anders. Dat had van alles kunnen worden, maar het werd dus vestigingsmanager. Met daarnaast nog een studie en een masterclass op mijn werk, wordt er voldoende geleerd de komende tijd.

Maar dan komt ineens het moment dat je je realiseert dat de keuze voor deze baan ook andere gevolgen heeft. En die maken dat nu, aan het begin van de herfstvakantie, het verjaardagsgevoel een beetje naar de achtergrond is verhuisd. Kiezen voor deze baan betekent namelijk ook: voor onbepaalde tijd afscheid van de klas. Zoals één van mijn leerlingen vroeg: “Vindt u dat niet erg dan? U heeft nog zo veel plezier voor de klas!”

Dus nu 1 november (de officiële datum van mijn benoeming) steeds dichter bij komt, begint ook dat besef te komen, want dit is wat het is:

  • niet meer nadenken over leuke werkvormen
  • geen verwondering meer als leerlingen iets moois maken
  • niet meer nakijken
  • geen noodzaak meer om uit Engeland allerlei prullaria mee te nemen voor het lokaal
  • geen onderdeel meer van de vakgroep waarvan ik 24 jaar onderdeel was
  • geen trots meer als een leerling die moeite heeft met mijn vak ineens een heel goed cijfer haalt
  • niet meer een hele les vertellen over Henry VIII
  • niet meer de verwachtingsvolle blik van nieuwe brugklassers
  • minder Engels spreken
  • veel minder direct contact met leerlingen
  • geen random name picker, geen running dictation, geen telspel, geen alfabet- en dagen-van-de-weekliedjes op YouTube, geen Kahoot, geen Socrative, etc., etc.

Of zou het ook anders kunnen? Nee, voorlopig echt niet voor de klas en ik heb zeker geen spijt van mijn keuze, maar ik ga in mijn nieuwe baan wel proberen actief de verbinding met leerlingen te blijven maken. Hoe? Dat zal de tijd leren, maar mijn juffenhart klopt nog iets te hard om in een ivoren torentje te gaan zitten!

Over onderwijsinspectie en nieuwjaarswensen

In januari komt de inspectie onze school bezoeken en anderhalve week later is het Open Dag. Wat zal onze school er mooi bij liggen in die weken. Er zal weinig aan het toeval worden overgelaten, hoewel we ons volgens onze directeur nergens zorgen over hoeven te maken. We hebben immers alles op orde: in de checklist Kwaliteitsbeleid staan immers maar 2 parameters op oranje en daaraan wordt hard (planmatig) gewerkt, we hadden mooie examenresultaten en doorstroomgegevens,  en bij Dronkers een 8,5.

“Over onderwijsinspectie en nieuwjaarswensen” verder lezen

Ik ben gek, want ik werk in het onderwijs!

De laatste dagen heb ik op verschillende sociale media dit opiniestuk uit augustus 2011 voorbij zien komen, Je-moet-wel-gek-zijn-om-als-leraar-in-het-voortgezet-onderwijs-te-werken. Geen idee waarom dit ineens weer is opgedoken, maar ook geen idee waarom zo veel van mijn (onderwijs)vrienden, collega’s en bekenden dit zonder verder commentaar delen.

Daar begrijp ik namelijk niets van. Ja, alles wat er staat is waar, maar ik zie gelukkig zo veel meer, elke dag! Zet die negatieve bril af en verwonder je over al het moois dat onderwijs te bieden heeft.

In dat kleine volle, slecht geventileerde lokaal komen elk uur zo’n dertig andere kinderen binnen, vaak enthousiast of druk, maar in ieder geval vol met vragen (al zijn dat niet altijd de vragen waarop jij antwoord hebt). Kom daar maar eens om op een airconditioned kantoor, waar je dag in dag uit tegenover dezelfde suffe collega zit (Debiteuren, Crediteuren wel eens gezien?)!

Er gaat voor mij geen dag voorbij, zonder dat tenminste één leerling een glimlach op mijn gezicht tovert, vaak ook een schaterlach. Kinderen verwonderen en als je elke dag met ze mag werken, maakt dat je een rijker mens. Ik ben mij ervan bewust dat velen dit softe onzin zullen vinden, maar als je echt naar kinderen kijkt, kun je moeilijk tot een andere conclusie komen.

Elk jaar ben ik apetrots als weer een lichting onze vmbo-school met een diploma verlaat. Op de kinderen die hebben moeten knokken, omdat ze een ingewikkelde thuissituatie hebben, omdat ze ernstig ziek zijn, omdat ze het niveau eigenlijk net niet aankunnen, maar ook op de slimme luiwammesen die altijd door het oog van de naald kropen.

Een school is in alle opzichten een creatieve omgeving. Elke les vraagt om creativiteit, nooit verloopt een les zoals je van tevoren hebt bedacht. En hoewel de doelen vast staan, jij mag zelf je keuzes maken om die doelen te behalen. Op welk kantoor of bij welk bedrijf maak je je eigen feestje: niet alleen je lessen maar zeker ook uitstapjes, excursies, theatervoorstellingen, schoolfeesten, sportdagen, etc? Waar krijg je vlak voor  je vakantie chocolade, knuffelbeertjes, kaartjes om je te bedanken voor het leuke jaar?

Ook de schaarse middelen (dat belastinggeld) maken creatieve oplossingen noodzakelijk en dus ben ik bij voorbeeld zelf op onderzoek gegaan om het gemis van de (dure) digitale content van de methode te compenseren. Dat kost tijd, dat klopt, maar daardoor leer ik zelf ook nog steeds. Op didactisch, pedagogisch, sociaal en (computer)technisch gebied ben ik nog lang niet uitgeleerd.

Ja, de waardering voor leraren laat wel eens te wensen over. Toch merk ik daar persoonlijk weinig van. Ik geloof dat dat te maken heeft met het feit dat ik trots ben op wat ik doe. Als je de hele dag roept dat je het zo zwaar hebt en alleen de negatieve kanten van ons mooie beroep ziet, moet je ook niet verwachten dat mensen die mooie kanten wel zien. Ik kies ervoor in de docentenkamer juist bij mensen te gaan zitten die wel inspireren, ik zoek op Twitter naar tweeps die dezelfde positieve kijk op onderwijs hebben als ik en die ook uitdragen. En dus zie ik naast alles wat er mis is in het onderwijs, gelukkig ook mooie initiatieven van leerkrachten die oplossingen aandragen voor die problemen (bijv. Het Alternatief van Jelmer Evers en René Kneyber, Leraren met Lef, the Crowd) zonder te blijven hangen in de litanie van klachten die Anneke Wijma ons voorschotelt.

Ik hoop dat Anneke inmiddels een andere baan gevonden heeft, waarin ze wel gelukkig is. Ik blijf voorlopig lekker lesgeven en hoop dat ik dat (ondanks alles wat er mis is met het onderwijs) nog heel erg lang heel erg leuk blijf vinden! Want je moet wel gek zijn niet in het onderwijs te willen werken!

There’s no such thing as a free picnic, en dus ook geen gratis boeken!

Met het nieuwe begrotingsakkoord van de regering en oppositiepartners wordt er weer volop gesproken over de “gratis boeken” en dan met daarbij de opmerking dat dit een investering in onderwijs zou zijn.

Dat is natuurlijk onzin en dat was het ook al toen die gratis boeken werden ingevoerd. Hiermee wordt de koopkracht van gezinnen verbetert, maar het onderwijs wordt er geen haar beter van. Misschien levert het zelfs een verslechtering van het onderwijs op, daar waar de verkeerde keuzes gemaakt worden om rond te kunnen komen van die 300 euro per leerling.

Er zijn machtige partners actief op de schoolboekenmarkt. De educatieve uitgeverijen (Thieme, Malmberg, Noordhoff) en natuurlijk Van Dijk Educatie en Iddink bepalen samen zo’n beetje wat er gebeurt.

Een voorbeeld: Bij mij op school (TL) worden tot eind klas 3 alle vakken gegeven, waardoor er in klas 3 dertien theoretische vakken gegeven worden en er dus zo’n 23 euro per leerling per vak is voor boeken. Voor mijn vak (Engels, we gebruiken Stepping Stones) zijn de kosten (nieuwwaarde via uitgever) €67,55 voor het textbook, activitybook en i-activitybook (toegang tot digitale content). Dus zoekt de school een oplossing bij een boekenfonds, in ons geval Van Dijk Educatie. Dan wordt op het textbook een korting gegeven (op voorwaarde dat je niet te vaak wisselt van methode) en betaal je voor de andere onderdelen de nieuwprijs. De hoogte van de huurprijs wordt opgenomen in de onderhandelingen tussen bestuur en Van Dijk (ligt nu rond de 13 euro). Het activitybook+i-activitybook kosten nu slechts €27,95, nog steeds te veel dus. Uitsluitend het activiybook afnemen: €21,75, uitsluitend i-activitybook €22,20. Noordhoff biedt ook nog een nieuwe optie: voor €39,65 hebben we een methodelicentie waarmee het complete pakket krijgen met nieuwe boeken en altijd de nieuwste editie. Mooi aanbod, maar komt nog steeds niet in de buurt van die €23 die wij krijgen van de overheid.

En dus moeten scholen naar andere oplossingen zoeken. Er worden klassensets werkboeken aangeschaft of scholen verbieden kinderen te schrijven in de boeken zodat de boeken meerdere jaren gebruikt kunnen worden (dat schijnt overigens niet te mogen, want volgens de wet mag je een werkboek maar 1 jaar gebruiken, wat ik een rare wet vind, een boek met een houdbaarheidsdatum?). Of de werkboeken worden helemaal niet meer aangeschaft. Dat is allemaal nooit de bedoeling geweest van de makers, maar het kan niet anders. Of toch?

Je kunt er ook voor kiezen de methode er helemaal uit te gooien en zelf materiaal te ontwikkelen. Wij hebben dat een aantal jaren gedaan voor onze examenklassen. Het kost je veel werk (werkdrukverlaging?) en het is ook moeilijk voldoende goed materiaal te vinden dat je mag gebruiken en daar dan ook nog een doorlopende leerlijn van te maken. En als je samen materiaal ontwikkelt, kun je ook nog tegen verschillende opvattingen over je vak aanlopen, wat ook niet altijd prettig is.

Voor mijn vak is er ontzettend veel materiaal op het internet beschikbaar, ook materiaal dat je gratis mag gebruiken, maar dan nog: het kost tijd en moeite en daarmee ook geld! En er  zijn heel veel toepassingen op internet waarmee je je eigen digitale content kunt maken, maar weer: tijd, moeite en geld. Ik maak er graag gebruik van en deel het met mijn collega’s (en via internet ook met collega’s buiten mijn school), maar zou het heel graag anders zien. Door meer te delen en zelf te ontwikkelen zullen die machtige partners zich anders op moeten gaan stellen anders prijzen ze zichzelf uit de markt. Maar ook wij, docenten, kunnen besturen en educatieve partners op een ander spoor krijgen, door naar creatieve oplossingen te blijven zoeken, die te (blijven) delen en directie en bestuur daarvan op de hoogte te stellen/deelgenoot van te maken.  Maar hoe dan ook: het zal altijd geld blijven kosten want: there is no such thing as a free picnic!

Drielandenpunt

Aan het begin van mijn vakantie bezochten we Vaals en daarmee het Drielandenpunt. Van mijn studie aardrijkskunde weet ik dat een grensgebied bijzondere eigenschappen heeft. Zo lopen wegen er vaak vooral parallel aan de grens en weinig er overheen; zijn er verschillende regels, belastingen enzovoorts voor mensen die hemelsbreed nog geen 5 meter van elkaar wonen. Dat kan voordelen hebben (lekker goedkoop tanken over de grens), maar ook nadelen (mobiel telefoneren is al gauw duur omdat je niet overal bereik hebt van je eigen netwerk).

Binnen het onderwijs kennen we ook grensgebieden en daarmee ook “drielandenpunten”. Straks met de invoering van Passend Onderwijs wordt dat nog veel duidelijker, maar nu al zie je de gevolgen. Het verschil met het echte drielandenpunt is echter dat de grenzen niet voor iedereen duidelijk zijn en niet voor alle zaken dezelfde grenzen gehanteerd worden.

Sommige grenzen lopen gelijk met de gemeente, andere volgen de zogenaamde Samenwerkingsverbanden (SWV). In sommige gevallen valt een dienst onder de gemeente waar je woont (leerplicht) en in andere juist onder de gemeente waar je naar school gaat (GGD).  Als je in een grote gemeente woont en daar ook naar school gaat, valt alles samen. Maar als je in een kleinere gemeente woont, is de kans groot dat je kind met die grenzen te maken krijgt, met alle vreemde gevolgen van dien.

Een leerling die te vaak te laat komt een straf van de leerplichtambtenaar. Voor een leerling uit Dongen (lpa volgt beleid Tilburg) betekent dat dat hij vaker te laat mag komen dan zijn klasgenootje uit Oosterhout (lpa volgt beleid Breda).

Bij ons op school krijgen leerlingen soms  hulp van een schoolcoach. Dat wordt bekostigd door BJZ. Een leerling uit Oosterhout (BJZ Breda) heeft binnen twee weken een beschikking, omdat de school en niet de ouders de aanvraag mogen doen. Een leerling uit Rijen moet daar minimaal 12 weken op wachten omdat BJZ eerst een uitgebreid onderzoek wil doen. Vaak verergert het gedrag zich in die tijd en is zwaardere(lees; duurdere) hulp nodig.

Echt ingewikkeld wordt het als je bij voorbeeld in Hank woont. Hank valt voor onderwijs onder het SWV Gorinchem. De dichtstbijzijnde school voor VO staat echter in Raamsdonksveer en dat valt onder het SWV Breda/Etten-Leur. Voor leerplicht moet je bij de gemeente Werkendam zijn, maar daar zijn geen scholen voor VO. De GGZ en Bureau Jeugdzorg gaan via Breda. De GGD volgt de kinderen in de gemeente waar ze naar school gaan.

Stel nu dat je op die ene brede scholengemeenschap in Raamsdonksveer niet vindt wat je zoekt voor je kind, dan kun je terecht in Andel (vmbo landbouw), Oosterhout (breed scholenaanbod), Sleeuwijk of Gorinchem. Andel valt onder het SWV Waalwijk, Oosterhout zit bij Breda, Sleeuwijk bij Gorinchem. Kortom: een drielandenpunt!

De kans dat je voor je kind een school kiest die buiten het SWV Gorinchem valt, is best groot als je in Hank woont. Dat is niet erg als alles goed gaat, maar nu komt er een kink in de kabel. Je kind raakt in de problemen en krijgt hulp van de GGZ (Breda). Je zoekt mede daarom een andere school voor hem.  Dan gaan ineens de SWV’s zich ermee bemoeien. En dan blijkt dat komende Passend Onderwijs toch voor problemen te zorgen. Het ene SWV verwijt het andere dat  ze het kind niet aan hadden mogen nemen en dus de problemen zelf maar op moeten lossen. Het SWV waar het kind nu naar school zegt de hulp niet kunnen bekostigen, omdat de gelden naar het SWV Gorinchem gaan. Daarbij komen nog allerlei problemen omdat er afspraken binnen het SWV zijn, die binnen het andere SWV op een andere manier geregeld zijn (PCL en ZAT). Om nog maar niet te spreken over de nadelen van de vakantiespreiding (Gorinchem valt onder een andere regio dan Waalwijk en Breda).

Dit fenomeen doet zich niet alleen voor in Hank, er zijn in heel Nederland van dit soort “drielandenpunten”. Doordat Passend Onderwijs nog veel meer gaat bouwen op de SWV’s en de veranderingen in de Jeugdzorg ook gaan zorgen voor andere grensgebieden, voorzie ik voor alle kinderen in de kleinere gemeentes, die in dit soort omstandigheden zitten problemen. We hebben in Nederland vrijheid van onderwijs, maar dat geldt straks alleen binnen je eigen SWV, tenzij de aan elkaar grenzende SWV’s over grenzen heen durven kijken. De Wilhelminatoren in Vaals geeft een mooi uitzicht, het zou toch prachtig zijn als we  in onderwijs/jeugdhulpverlening ook wat verder keken dan onze neus lang is!

Over gedragsstoornissen en goede bedoelingen

Het was onlangs autismeweek en Wereld Autisme Dag en dus verschenen er artikelen in de krant zoals dit van Aleid Truijens waarin zij psychiater Allen Francis ten tonele voert die ten strijde trekt tegen de “rampzalige gevolgen van goede bedoelingen” daarmee doelend op het grote aantal kinderen dat sinds de invoering van de DSM-4 met een diagnose ADHD of Asperger de deur van een psycholoog, huisarts of zorgcoördinator uitstapte. Ook de aanstaande uitgave van de nieuwe DSM-5 leidt tot vele publicaties.

Daarnaast kreeg de PVV het in diezelfde week met succes voor elkaar het Marokkanendebat op de agenda te krijgen. Ook de PVV trekt ten strijde tegen de rampzalige gevolgen van goede bedoelingen, doelend op de “theedrinkende politici” die er voor zorgden dat onze steden nu volop overlast ervaren van de Marokkaanse “straatterroristen”.

Ogenschijnlijk hebben die zaken niets met elkaar te maken, maar het deed mij denken aan onderstaand stukje dat ik een tijd geleden schreef, maar nooit heb gepubliceerd.

Het nieuwe schooljaar is al weer 6 weken oud. Het nieuwe is er weer vanaf, de eerste toetsen zijn gegeven en de brugklassers beginnen hun weg en draai in de school te vinden. Behalve dat ene jongetje vooraan in de klas. Hij kijkt de hele dag boos, heeft nooit alle spullen bij zich, is voortdurend de weg kwijt, snapt het rooster niet en weet vaak niet wat voor huiswerk hij heeft. Met klasgenootjes praat hij weinig. Hij is al twee keer betrokken geweest bij een vechtpartijtje en heeft woedeaanvallen. Sociaal verkeer ontgaat hem, hij kijkt niemand aan. Zijn klasgenootjes hebben het opgegeven, willen hem niet meer helpen en zelfs niet meer naast hem zitten.

Als deze jongen Jasper zou heten, zou hij naar een psycholoog gestuurd worden. Er zou waarschijnlijk een stoornis in het autistisch spectrum worden vastgesteld of zo’n andere sticker waar wij in Nederland graag mee strooien. Voor Jasper wordt alles uit de kast gehaald. Er worden speciale planagenda’s aangeschaft, hij krijgt een ambulant begeleider, RT, extra aandacht van de mentor, er worden handelingsplannen opgesteld, hij krijgt een training “ik ben speciaal” of “rots en water”, hij mag met een laptop werken, mag een time-out nemen “als het even niet gaat” en ouders krijgen ondersteuning thuis om te leren met hem om te gaan. Drie keer per jaar wordt zijn voortgang uitgebreid geëvalueerd en constateren we dat er weer een doel behaald is. Ouders en Jasper zijn trots en blij als hij na 4 jaar met een diploma en een transfercoach naar het mbo gaat.

Deze jongen heet echter geen Jasper maar Salim en dus wordt er maar al te graag die andere sticker opgeplakt: kutmarokkaan. Dat hij al twee keer heeft gevochten, past natuurlijk prima in het plaatje. Dat hij je niet aankijkt ook, want dat is nou eenmaal gebruikelijk in die cultuur. Dat hij het allemaal niet goed kan volgen, is het gevolg van de opgelopen taalachterstand. Hij komt van een “zwarte” basisschool, dus dat hij geen contacten heeft met klasgenootjes komt doordat hij op zijn nieuwe “witte” school de enige allochtoon in de klas is. Als je er dan bij optelt dat hij thuis geen eigen plekje heeft om te slapen, studeren of zijn spullen op te ruimen en zijn ouders nauwelijks Nederlands spreken, is het plaatje compleet: deze jongen is niet te redden. We constateren dat hij op het verkeerde niveau zit en hij stroomt binnen twee jaar af naar een lager niveau. Of erger: hij wordt wegens wangedrag van de ene school na de andere afgestuurd.

In alle jaren dat ik in het onderwijs werk heb ik zelden een allochtoon met een dyslexieverklaring gezien. Taalproblemen bij allochtonen worden bijna altijd door taalachterstand verklaard. Een paar jaar terug stuurden we een Marokkaanse vader met zijn zoon naar de huisarts omdat we vonden dat de jongen logopedie nodig had en we het vermoeden hadden dat hij ADHD had. De huisarts gaf de jongen een hoestdrankje en stuurde vader en zoon naar huis. De jongen moest later dat jaar onze school verlaten wegens slechte resultaten en heeft inmiddels een strafblad.

Ik ben me ervan bewust dat ik dubbel tegen de tijdgeest inga. Ten eerste is het niet gebruikelijk meer voor allochtonen op te komen, dat is links pampergedrag. Ten tweede moeten we minder snel een sticker op een kind plakken. Maar hoewel het misschien waar is dat we met onze (autochtone) kinderen een beetje zijn doorgeslagen met labellen en medicatie, valt er mijns inziens bij de allochtone kinderen nog heel wat te onderzoeken. En als we eens net zo naar Salim en Zeynep gaan kijken als naar Jasper en Merel, misschien zijn er dan af en toe wat problemen te voorkomen of op te lossen. Dan zou het zo maar kunnen dat we over een paar jaar meer Nasrdin Dchar’s hebben om trots op te zijn!

Een “flipping” experiment

Als je gaat bloggen op een platform dat zich onderwijswijven noemt, moet je een beetje stoer uit de hoek durven komen. Dus ik ga hier maar eens een knuppel in een hoenderhok gooien.

Aangezien ik een bovenmatige interesse heb in alles wat met onderwijs te maken heeft, open sta voor nieuwe ideeën en niet bang ben nieuwe dingen uit te proberen, heb ik onlangs een experiment in mijn tweede klassen (één klas mavo, één klas mavo/havo) uitgevoerd. Ik heb een beetje een mix gemaakt van “flipping the classroom” en activerende didactiek om “the present perfect” uit te leggen.

Hoewel ik in de les al een paar keer de regels had benoemd bij het bespreken van de Stones (de standaardzinnetjes uit de methode), hadden de leerlingen er buiten die zinnetjes nog niet mee geoefend. Ze moesten thuis de uitleg via mijn site bestuderen en ik had ze verteld dat ze er een opdracht mee moesten kunnen maken. Ik kocht kleine, kinderachtig schattige whiteboardjes van Disney en zocht opdrachten bij elkaar.

In de les maakte ik willekeurige groepen door iedere leerling een speelkaart te geven, alle achten vormden samen een groep. Alle leerlingen die een harten kaart hadden, waren “the teacher” en kregen het whiteboard. Nu kwam het moment van de waarheid: de teachers moesten aan de overige groepsleden uit gaan leggen hoe je “the present perfect” maakt, de anderen moesten (zij hadden immers de stof ook bestudeerd) goede vragen stellen en antwoorden geven. Het idee was dat op de whiteboardjes de uitleg zou komen staan. En daar ging het mis: de leerlingen (in beide klassen) bleken de uitleg niet goed genoeg te weten. Ik moest erg veel bijsturen en voorzeggen om uiteindelijk overal iets op de bordjes te krijgen. Door de oefeningen die ze daarna moesten maken (eerst alleen, daarna overleggen en samen invullen) kwam het uiteindelijk nog best goed, maar ik had op een beter resultaat gehoopt.

En nu zit ik met vragen. Waarom lukte het niet zoals ik had bedoeld? Had ik de opdracht vooraf beter moeten geven (JA, zegt dit blog van Tumult)? Of is “flipping the classroom” een werkvorm die voor leerlingen op een mavo  te moeilijk is? En vooral dat laatste blijft maar in mijn hoofd hangen. Zou het zo kunnen zijn, dat kinderen op een havo/vwo beter in staat zijn zelf informatie te verwerken, zonder dat ze tussen door vragen kunnen stellen? Ik kan daarop nu natuurlijk geen antwoord geven, niet op grond van deze ene les, dus ga ik de werkvorm verfijnen. Toch kan ik mij voorstellen dat leerlingen binnen het vmbo meer sturing van een docent nodig hebben en daarom met deze werkvorm echt wat tekort komen. Ik ben benieuwd hoe anderen dat zien en doen, dus hoor het graag. Voorlopig ga ik er (in aangepaste vorm) wel mee door, daar waar ik denk dat het kan, dus voor hier: to be continued!